IKC heeft geen blauwdruk

Hoe willen wij dat een kindcentrum eruit ziet? ChildCare International laat met twee buitenlandse succesverhalen zien dat volledige integratie niet per se noodzakelijk is.

Het integrale kindcentrum is geen vaste formule; het heeft geen blauwdruk. Iedere situatie vraagt om een eigen invulling van de samenwerking, aan de hand van de behoefte van de omgeving. Dat dit gegeven de enige goede basis vormt voor een kindcentrum illustreren Christine Frank uit Duitsland en René Lundberg uit Denemarken op het laatste seminar van ChildCare International. Jeannette Doornenbal, lector aan de Hanze Hogeschool in Groningen, vergelijkt de buitenlandse voorbeelden met de Nederlandse situatie en voert een sterk betoog voor de pedagogische basis van een integraal kindcentrum.

Meer tijd voor ontwikkeling
Christine Frank is directeur van de Berlijnse Carl Kreamer-Grundschule. Haar school staat in een relatief arme wijk. De kinderen hebben veel talent, maar kampen ook met sociale en emotionele problemen. Daarom heeft de school naast een onderwijzende ook nadrukkelijker een opvoedingstaak. Om ervoor te zorgen dat de kinderen zoveel mogelijk kansen krijgen, hanteert Christine een full-timerooster, van 8.00 tot 16.00 uur.

Uitgebalanceerde samenwerking
Gedurende de dag staan een leerkracht en een pedagogisch medewerker samen op één groep en in bepaalde situaties zet de school specialisten in voor extra ondersteuning en talentontwikkeling. Op die manier heeft het personeel meer tijd om kwaliteit te leveren. Het wisselt leren en ontspannen af en is erop gericht om de kinderen individueel te versterken. De Grundschule is niet geïntegreerd met de kinderopvang, maar ze hebben een nauwe samenwerking. Ze organiseren bijeenkomsten en bezoeken voor de ouders en testen dan meteen de taalvaardigheid.

Gescheiden afdelingen
“Ik heb nog nooit zo’n mooie BSO gezien,” verklaart Serv Vinders, voorzitter van ChildCare International, in zijn inleiding voor René Lundberg. In zijn brede school in Kopenhagen vormen school, Valby Skole, en BSO, SFO Potteskort, gescheiden afdelingen binnen één organisatie. René vindt het prettig en belangrijk dat de budgetten gescheiden zijn: “Ik bepaal zelf waar de BSO zijn geldt aan uitgeeft.” Daarentegen is er op inhoudelijk vlak een innige samenwerking. Aan de BSO, waar René leiding aan geeft, participeert bijna elk kind! De normen over kinderopvang en werkende moeders zijn in Denemarken — en Duitsland — dan ook heel anders dan in Nederland.

Het ‘hele kind’ zien
Ondertussen is de samenwerking tussen de Deense BSO en het onderwijs wel heel intensief. De politiek heeft samenwerkingsuren verplicht gesteld tussen onderwijs en opvang vanwege de behoeftes van werkende ouders. De school en de BSO nemen in die uren de tijd om samen te kijken naar en nadenken over het kind. Daarnaast praten zij ook veel met de ouders. Zo leren ze samen het ‘hele kind’ kennen.

‘Waarom IKC?’
Het zijn voorbeelden van scholen die kijken naar de wens en de behoefte van de omgeving. Op basis daarvan organiseren zij hun schoolsysteem. In Berlijn is dat de achterstandssituatie van de kinderen, op de Deense school vragen de ouders om goede samenwerking tussen onderwijs en opvang. René benadrukt dat IKC-ontwikkeling geen doel op zich is. Het is belangrijk eerst te reflecteren met de vraag: waarom willen we dit onderwijsconcept op onze school? Uit het gezamenlijke antwoord op dat ‘waarom IKC’, rolt een gedeelde pedagogische visie.

Drie pijlers
Jeannette Doornenbal benadrukt het belang van een open blik, zoals deze voorbeelden in Denemarken en Duitsland tentoonspreiden. Er zijn volgens haar een paar belangrijke pijlers, waarop een kindcentrum in de toekomst moet rusten. Ten eerste  moet het — vanwege de veranderingen in de maatschappij — een publiek goed zijn; open voor andere kinderen. Ten tweede moet het als gezamenlijke opdracht worden gezien om de nieuwsgierigheid van kinderen te prikkelen en om ze te laten ontdekken wie ze zijn. Ten slotte moet het IKC een open structuur hebben; de buitenwereld is een plek om te ontdekken. Op al die aspecten scoren deze Deense en Duitse voorbeelden hoog.

Sterk weefsel door systeemtransformatie
Daarnaast pleit Jeannette Doornenbal ervoor om op verschillende manieren pedagogische meerwaarde voor het kind te creëren. Dit kan een kindcentrum bereiken met onder meer één breedgedragen visie, één organisatie, relationeel vertrouwen en door ouderbetrokkenheid te bewerkstelligen. Het meest in het oogspringend is het betoog voor de systeembenadering: er moet een verbinding zijn op micro-, meso- en macroniveau. Sleutelen aan één radertje heeft geen zin. In de transformatie moeten kind, team, ouders en politiek mee veranderen, zodat een sterk weefsel ontstaat waarin de pedagogische visie vervlochten is.

Binnenkort staan de PowerPointpresentaties van de drie sprekers op de website van ChildCare International